Guido Geelen

teksten

Geen kunst zonder traditie

6 april 2006, Dagblad de Limburger (Wildo Smeets)

solo expositie Guido Geelen, Stil Leven

Het keramisch werk van Guido Geelen vindt gretig aftrek bij zowel verzamelaars als overheden, bedrijven en musea. Zijn succes staat hem toe vrijuit te oordelen over de kunstwereld. „De vrijblijvendheid op de academies is funest, de basis die de studenten meekrijgen, is prut."

Soms staan de mensen op zondagmiddag met hun neus tegen zijn vensters geplakt. Dan vraagt hij ze vriendelijk doch dringend om weg te gaan. „Ja maar", luidt dan de verbaasde repliek, „u bent toch Guido Geelen?"
Dat hij als 'bekende kunstenaar' als publiek bezit wordt beschouwd, verbaast Geelen nog steeds. „Mensen kunnen zo onaangepast zijn. Ze lopen over de gazons, zetten hun auto op mijn parkeerplaats. Terwijl iedereen toch ziet dat dit privé-terrein is." Dus komt er binnenkort een rhododen-dron-haag om de inkijk te verkleinen, en een poort om parkeergrage automobilisten op afstand te houden.

Sinds 1997 woont en werkt Guido Geelen (Thorn, 1961) in een voormalige sociale werkplaats aan de rand van Tilburg. Het 3600 vierkante meter tellende bedrijfspand heeft hij in de loop der jaren naar zijn hand gezet. Voor bouwkundige oplossingen zorgde de in de stijl van de Bossche School werkende architect Peer Bedaux. Centraal in de geometrische bouw ligt het circa duizend vierkante meter grote atelier, ooit de opslagruimte van de sociale werkplaats. Het dak heeft hij een vijftal meter 'opgetild, zodat het daglicht van vier zijden binnenvalt. De werkplaatsen en kantoren zijn verbouwd tot woon- en expositieruimtes, die vaak ongemerkt in elkaar overlopen.
Geelen is zo'n kunstenaar die zowel bij kenners als bij het grote publiek in de smaak valt. In 2000 kreeg hij de Heinekenprijs voor de Kunst, eind vorig jaar de Nationale Keramiekprijs. Toch kwam zijn kunstenaarschap schoorvoetend tot stand. Als zoon van de hoefsmid in het witte stadje Thorn zat hem het ambachtelijke als het ware in de genen. Zijn eerste probeersels in de voor keramiek zo geschikte Maasklei bracht hij naar dakpannenfabriek Van den Boel, aan de rand van het dorp. Na de middelbare school ging hij niet naar de kunstacademie, maar naar de lerarenopleiding. Artistieke neigingen, alla, maar je moet er wel je brood mee kunnen verdienen. Eigenlijk vindt Geelen dat nog steeds. Jonge academiestudenten die „met grote mappen onder de arm interessant lopen te doen", hij kan er nog steeds fel over worden. Zoals hij ook veel kritiek heeft op de volgens hem van subsidies aan elkaar klevende kunstwereld. „Wie kwaliteit heeft, komt heus wel aan de bak. De klassieke zolderkamerkunstenaars die onopgemerkt blijven, bestaan niet meer. Talenten worden op de academies al gescout, sinds de komst van internet kun je de hele wereld laten zien wat je kunt." Met kunstacademies heeft hij weinig op, ondanks de gastdocentschappen die hij er vervulde. „De vrijblijvendheid op de academies is funest, de basis die de studenten meekrijgen, is prut. Maar wat wil je met kunstenaars die er als docent hun leven lang blijven plakken omdat ze een gezin hebben en een hypotheek. Een vast inkomen staat haaks op het kunstenaarschap. Ik weet niet wat ik volgend jaar verdien." De academies leveren volgens hem slecht onderlegde kunstenaars af. „Je merkt hetals je ze naar hun mening vraagt. Er komt niks zinnigs uit omdat ze niet eens de tradities kennen waar ze in staan." Geelen neemt zijn métier serieus. „Kunst doet een uitspraak. Als je werk dat niet doet, beschouw het dan voor mijn part als therapeutisch en hou het binnenshuis. Ik althans zit er niet op te wachten."

Geelens werk uit de jaren negentig bestond vooral uit collages: stapelingen van tv's, huisraad, toetsenborden, flessen, een hond, vaak in elkaar gedrukt alsof ze bestemd waren voor de shredder. Daarnaast maakte hij veel vaasachtige ensembles, samengesteld uit vissen, stofzuigers, telefoons, boeken en autobanden. Allemaal gebakken uit klei. In zijn vormen zit het werk van Geelen vol met afvalproducten, schedels, beenderen en verlepte bloemen. Vergankelijkheid blijkt een terugkerend thema, „maar het is geen truc die ik eindeloos tentoonspreid. Bij een keramist ligt het gevaar van serie-werk altijd op de loer, maar zo werk ik niet. Ik wil me elke keer weer binnenstebuiten keren, mezelf klem zetten voordat ik verder kan."
Hoe herkenbaar zijn werk ook is, op zijn tijd gaat het roer rigoureus om. Vaak tot frustratie van zijn omgeving. „De kunstwereld kan daar moeilijk mee omgaan, dan blijkt Guido Geelen ineens niet meer te duiden." Om die reden werkt hij al jaren niet meer met een vaste galerie. „Veel galeristen willen een claim leggen op een trucje dat je beheerst en er vervolgens met de helft van de opbrengst van door gaan." Ook hij heeft het meegemaakt dat de prijzen omhoog schoten, dat hij van expo naar expo holde. Die mallemolen heeft hij achter zich gelaten. „Op enig moment moet je mensen in dienst gaan nemen. Dat wil ik niet. Dan heb ik meer het gevoel dat ik gezinnen aan het onderhouden ben, dan dat ik kunstenaar ben. Je kunt dan wel je zakken vullen, maar dan gaat het niet meer om de kunst. Je bent dan een speelbal in een circus".

Geelen is in zijn werk altijd op zoek naar tradities; daarin voelt hij zich verwant met generatiegenoten als Marc Mulders, Paul van Dongen, Ronald Zuurmond en Reinoud van Vugt. Samen vormen ze de 'Tilburgse School': liever een pas op de plaats maken en af en toe achterom kijken, dan steeds achter het nieuwste van het nieuwste aanhollen. „Het werk moet een plek binnen de kunstgeschiedenis krijgen." Voelde hij zich vroeger vooral beeldenmaker, tegenwoordig durft hij zich beeldhouwer te noemen. Hoewel het stapelen van beeldelementen hem nooit los zal laten, is hij steeds meer bezig met het modelleren, in de traditie van de klassieke beeldhouwers. Zoals de liggende beelden die hij nu maakt voor de expositie Stil leven in het Frans Halsmuseum in Haarlem: herkenbare, maar broze menselijke lichamen. Her en der steken er laboratoriumbuizen uit die fungeren als vazen. Er komen verse snijbloemen in, die snel zullen vergaan. Nieuw leven en vergankelijkheid in één. In vormentaal en materiaalgebruik probeert Geelen een teloorgaande wereld een nieuwe ziel te geven. „Ik heb grote bewondering voor het werk van Folkert de Jong, maar ik maak geen beelden van piepschuim. Dat valt over twintig jaar uit elkaar. Ik ben eigenwijs en ijdel genoeg om te willen dat mijn werk mij overleeft."