Guido Geelen

teksten

Kunsthistorische zoektocht

2000, Beelden (Astrid Tanis)

solo expositie Guido Geelen, Vuur-Werk 1987-2000

In het jaar 2000 stond de prestigieuze Dr. A.H. Hei-nekenprijs voor de Kunst in het teken van de keramiek. Niet vreemd dat de jury met deze invalshoek bij Guido Geelen uit kwam. De manier waarop deze kunstenaar met klei omgaat is vernieuwend en origineel. Het werk staat daarentegen niet los van de geschiedenis van de kunst, overal in het werk ontdek ik kunsthistorische tekens en verwijzingen. Het bezoek aan de tentoonstelling in het Stedelijk Museum te Amsterdam blijkt achteraf een intellectuele reis naar het verleden van de kunst.

Keramiek kent in Nederland een lange traditie. Meestal blijft de discipline echter hangen in de vormgeverssfeer van potten, schalen en vazen. Dit is begrijpelijk, het materiaal is breekbaar, zwaar en modeleerbaar. Deze eigenschappen drijven vormgevers en kunstenaars vaak richting gebruiksvoorwerpen en siervoorwerpen. Dunne wanden en holle objecten van bescheiden afmeting zijn favoriet.
Slechts weinig kunstenaars lukt het om de keramiek uit de ketenen van dit'esthetisch verleidelijke' traject te bevrijden en de vorm een gewichtigheid te geven die de zwaarte van het materiaal toekomt. De kunstenaar David van der Kop was een van de bekendste Nederlandse beeldend kunstenaars die in de twintigste eeuw, keramische beelden vervaardigde waar monumentaliteit de esthetiek een lesje leerde. Niet de verleiding, maar de visuele impact en het volume dwong respect af.Terwijl beschaafde verzamelaars van keramische voorwerpen met handschoenen hun nieuwste aanwinsten verplaatsten en verschoven naar veilige plekken voor menselijke onbehouwenheid, dwongen de 'Van der Kop beelden' de bezoeker zelf een pas op de plaats te maken, om al te pijnlijke confrontaties te voorkomen. De beelden vroegen geen handschoenen maar ontzag. De beelden van Guido Geelen horen thuis in de keramische traditie van Van der Kop. Geen ijle voorwerpen maar beelden met een lichaam. Geen 'hebbedingetjes' maar fysieke monumentale confrontaties, waarvoor menig huiskamer te klein is.

Eigenheid en originaliteit

De prijstoekenning brengt het werk van Geelen tot in de Nieuwe Vleugel van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Deze zijvleugel ervaar ik - vreemd genoeg - altijd als een aanhangsel van het museum. Het werk staat daar afgezonderd van de rest van het gebouw.Teleurgesteld, over de eerder bezochte tentoonstelling van Rob Birza, stap ik er binnen. Birza vult prominent en ongebreideld de bovenzalen van het Stedelijk Museum. De teleurstelling over het werk van Birza ebt tussen de beelden van Geelen snel weg.Wat ik bij Birza mis, heeft Geelen volop; eigenheid en originaliteit. Beelden als deze zie je nergens, ze zijn niet inwisselbaar met werk van andere kunstenaars.

Visuele materie

In een televisie-interview met Hanneke Groenteman hoor ik Geelen bescheiden zeggen, dat hij inmiddels niet zo'n moeite meer mee heeft met de term 'kunstenaar'. Vroeger prefereerde hij 'beeldenmaker'. Ik kan me hierbij iets voorstellen. Het begrip keramist schept verwachtingen die Geelen overstijgt en de term kunstenaar pretendeert iets dat je eerst moet waarmaken. Geelen staat in het Stedelijk, is aangekocht door verzamelaars van naam, krijgt prestigieuze prijzen en zelfs een internationaal bekende criticus als Donalt Kuspit is onder de indruk van zijn werk. Het begrip 'kunstenaar' lijkt inmiddels verdiend.
Toch laat de uitspraak'beeldenmaker' mij niet los.'Beeldenmaker' impliceert de activiteit van het scheppen. Bij de term kunstenaar staat meer de persoonlijkheid van de maker of bedenker centraal. Geelen is een schepper van visuele materie dat onder de naam kunst te vatten is. Zijn beelden raken je visueel in hun materialiteit, de kunstenaarspersoonlijkheid blijft op de achtergrond. De activiteit vanwaaruit de beelden ontstonden blijft prominent voelbaar in het werk, daar heb je het verhaal van de kunstenaar niet bij nodig.
Opvallend is de vanzelfsprekendheid waarmee het materiaal de beelden kracht geeft. Geelen weet wat hij doet, hij denkt in klei en zet deze gedachten in trefzekere vormen vast. Het geeft de beelden hun zeggingskracht. De televisie-uitzending waar hij sprak, komt mij weer voor de geest, Geelen vertelde hoe hij als kind met zijn vriendjes al klei ging halen bij de dakpannenfabriek in de buurt.Wat de kinderen van de klei maakten, ging in de oven bij de dakpannen. Hij beleefde hier veel plezier aan. Deze kindertijd zorgt voor een voorsprong op andere 'keramische' kunstenaars. Geelens carrière begon in zijn kinderjaren. Naast deze voorsprong heeft Geelen talent en een grote werkdrift. Deze drie aspecten maken hem wat hij nu is; een kunstenaar met internationale erkenning.

Religieuze uitstraling

Ik loop langzaam tussen de beelden door, sommige werken zag ik eerder. De beelden bezitten een autonome visuele kracht die zich onafhankelijk van de locatie waar ze staan manifesteert. Het Stedelijk Museum geeft ze geen meerwaarde; ze zijn wat ze zijn en dat is goed. Ze zijn niet gebonden aan één plek en verliezen ook niet aan impact op een 'mindere' locatie. Dat kan je niet van alle kunst zeggen. Onwillekeurig denk ik aan het werk van Birza in de bovenzalen en vermoedt dat van zijn schilderijen en installaties niet veel overblijft als je ze loskoppelt van de museale context en het oeuvre waarin ze gewaardeerd en beschermd worden. De werken van Birza klampen zich vast aan de pretentieuze locatie, ze hebben houvast nodig om iets te zijn. De beelden van Geelen blijven stoïcijns zichzelf onder iedere omstandigheid. Ik loop door de zaal en kijk naar de veelheid aan vormen en tekens die ik in de beelden zie. Een mobiel van handen die de gebarentaal uitdrukken. De beelden zien er compleet uit. De handen zijn gegoten in aluminium, de gietkanalen blijven zichtbaar. Bij Geelen zijn de gietkana-len niet overbodig, het procédé waaruit de beelden ontstonden, blijft onderdeel; de activiteit van het maken en afgieten verdwijnt niet. Dezelfde gietkanalen zie je bij het gouden varken dat de kunstenaar bovendien nog eens doorboorde met gaten; een gouden 'doorkijkvarken'. Het bladgoud geeft het beeld een glanzend egaal aanzien. Er ontstaat hierdoor een onbedoelde religieuze lading; geen gouden kalf maar een gouden varken. Ernaast staat een haan, hetzelfde procédé maar veel kleiner. Iets verder op een houten blad op twee schragen liggen koeienkoppen in rood keramiek, ook hier zie je gaten maar minder'georganiseerd' waardoor een ervaring van 'kadavers' ontstaat. Het beeld roept de associatie op met het stilleven van een slachttafel of offertafel.

Horror vacui

De beelden mogen dan locatie onafhankelijk zijn, inhoudelijk zijn ze dat niet. Ze vermengen zich met anderen concepten en kunststijlen uit de voorbije tijd. Ondanks de eigenheid en eigentijdsheid van de beelden, maken ze bij mij herinneringen los aan de geschiedenis van de kunst.
Het kunsthistorische begrip'horror vacui' bekruipt mijn gedachten.'Horror vacui' betekent angst voor leegte, waardoor kunstenaars tekeningen en schilderijen volledig vulden met beeldende tekens. De beelden van Geelen zijn vol en verzadigd, er kan niets bij. De grote terracotta muur is een opeenhoping van beelden: autobanden, tv's, honden, apen en meer. Bij historische werken denk je dan direct aan iconografische verwijzingen. Bij Geelen niet, misschien is het een monument voor de
wegwerpmaatschappij of een ode aan de vlooienmarkt, dat kan allebei.Voor mij is het een hommage aan de menselijke verzamelwoede.Allemaal voorwerpen die op zichzelf nietszeggend zijn. Samengevoegd wordt het een monumentaal beeld en een zoekplaatje van wat voor individuen van waarde is, was of leek. De tot een rechthoekig blok samengeperste inhoud van een vergeten zolder. Door de veelheid vervallen de afzonderlijke beeldende verwijzingen tot ornament. Historische ornamenten verschijnen echter symmetrisch en in een regelmatige ordening. Daarvan is hier geen sprake, het blijft samengevoegde chaos, zonder consistentie.

Eclecticisme

Vreemd genoeg schieten de kunsthistorische begrippen 'actionpainting' en 'expressionisme' mij bij andere werken te binnen. De hondenvaasjes bezitten een hoog'Wil-lem-de-Kooning-gehalte'. Het zijn kleine artistieke explosies in klei, de kunstenaar had blijkbaar behoefte aan expressie. De beroemde actiefilmpjes van Karel Appel en Jackson Pollock verschijnen onwillekeurig in mijn visuele geheugen. De rustige glimlachende Geelen die ik op de televisie zag, lijkt in geen opzicht op deze persoonlijkheden. Maar wie weet, breekt het beest in hem los, achter zijn gesloten atelierdeur. Ik zie twee op elkaar gestapelde eigentijdse toestellen van keramiek, ze doen me aan de Pop-art beelden van Claes Oldenburg denken. Ze dragen echter een Delftsblauwe horror vacui huid. Over deze Delftsblauwe huid zie ik drippings die Pollock doen herleven. Bijzonder dat ik deze kunsthistorische overdaad niet als 'overdone' ervaar. De romantiek herleeft een paar meter verder in drie overdadig versierde vazen op een sokkel. Ik kijk nog een laatste maal de zaal rond, deze eclectische veelheid vertoont zich als eenheid. Het is de hand van de kunstenaar die alles verbindt. Ik vraag me af, minimal art? Nee dat zie ik nergens .... of toch, in het midden van de zaal, die stapeling regelmatige diabo-lovormen? Bijzonder toch hoe ik het eclecticisme van Birza als gebrekkig plagiaat ervaar, terwijl ik dat bij Geelen juist als kwaliteit herken.