Guido Geelen

teksten

Een vergulde groep is het juiste beeld op de juiste plek

Juni, Smaak (Tanja Karreman)

project Een Nieuwe Laocoön

Voor de entree maakte kunstenaar Guido Geelen een eigentijdse versie van de Laocoongroep waarvoor hij werkte met menselijke modellen. Het bladgoud contrasteert met de klinker waarop de beelden staan.

Het juiste beeld op de juiste plek, dat mag een eenvoudige vraag zijn, het antwoord is nooit te voorspellen. En eenmaal gegeven is de beleving ervan onderhevig aan smaak en grillen van de tijd. Zie daar de wording en plaatsing van de beeldengroep van Guido Geelen die hij In opdracht van de Rijksgebouwendienst maakte voor de nieuwe Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De keuze van de locatie voor de vergulde 'groep' - bij de entree blijkt even bescheiden als pontificaal, even voorde hand liggend als onvermijdelijk, even terloops als ambitieus. Er ging een complexe omweg via opdrachten en/of bijna opdrachten aan meerdere kunstenaars aan vooraf. Een omweg die de grilligheid illustreert van een proces waarvan je niet op voorhand kunt voorspellen wat je krijgt.


De RCE-commissieleden stelden vanaf het begin als absolute voorwaarde dat het kunstwerk speciaal voor het gebouw bedacht, ontworpen en gemaakt zou worden. Daar bleek niet aan te tornen. Het kader voor de opdracht werd verder bepaald door de bijzondere en overweldigende architectuur van Navarro Baldeweg, maar vooral ook werd de kerntaak van het instituut vooropgesteld: beheren, behouden en ontwikkelen van erfgoed. Gedurende het selectieproces bleken de commissieleden te beschikken overeen bijzondere neus voor talent in relatie tot hun wens en het gestelde kader. Er werd niet zozeer gezocht naar een kunstenaar die in staat bleek de RCE op een corporate wijze te illustreren als wel naar iemand die met zijn bestaande oeuvre blijk had gegeven van het talent om processen, verhalen, geschiedenissen te kunnen materialiseren. Zo was er al in een vergevorderd stadium contact metde kunstenaar Giuseppe
Penone, wiens werk naadloos aansluit bij die wens, toen bleek dat hij alleen een reeds bestaand beeld bij de entree - binnen of buiten - wilde plaatsen. Daar was geen discussie over mogelijk. Er moest een nieuwe kunstenaar worden geselecteerd.


Bij het eerste bezoek van de kunstcommissie aan het atelier van Guido Geelen, dat op een uiterst geordende en overzichtelijke wijze bezaaid is met verhalen, vormen en dingen, werden we onbedoeld verwelkomd dooreen stapel boeken over het werk van Penone. Hoewel toevallig en hun beider werk en benaderingswijze weinig met elkaar te maken hebben, beklijfde toch het gevoel de juiste man voor de juiste plek eindelijk gevonden te hebben. Eerdere plannen van de kunstcommissie om de kunst nadrukkelijk en verspreid door het pand een spanningsveld met de architectuur te laten oproepen, raakten langzaam maar zeker op de achtergrond. Het enige seriële dat is overgebleven zijn de twee vuilniszakken die de bezoeker langs het kunstwerk het gebouw intrekken. Hoe meer Geelen zich verdiepte in het werk van Navarro Baldeweg (in nauw overleg met de vertegenwoordigend architect Wim Woensdregt), des te sterker groeide de overtuiging de architectuur ongemoeid te laten, en uit te komen bij de enige plek die een groot en vooral ander gebaar kan verdragen: de entree, waar de bestrating van buiten nog doorloopt, een plek tussen binnen en buiten, een plek die het kunstwerk recht doet en ook 's avonds zal functioneren als een ster aan de hemel. Hier bevestigen kunsten architectuur elkaars kracht.

Ambitie

Vanaf het moment waarop hij de opdracht in ontvangst nam maakte Guido Geelen zijn ambitie duidelijk: hij wilde iets groots maken, zowel in relatie tot zijn eigen oeuvre - een topstuk- als in relatie tot, jawel, de hele kunstgeschiedenis: iets dat dè tand des tijds zou kunnen doorstaan, in onderwerp, techniek en uitvoering. Zonder vooropgezet plan ging hij voortvarend te werk. Hij sprak met de mensen van verschillende afdelingen, hij inventariseerde en documenteerde alsof hij zelf werknemer was bij een van de diensten van de RCE. Je weet maar nooit of je toekomstig bruikbaar materiaal tegen komt. Hij deed onderzoek naar alle aspecten van het gebouw alsmede naar de wijze van werken, behouden, conserveren, en ontwikkelen van erfgoed en de laatste stand van zaken hierover in de archeologie. Waar zou hij bij aansluiten, de architectuur, de mensen of de oneindige hoeveelheid materiaal van 350.000 jaar geschiedenis waar de Rijksdienst de hoeder van wil zijn?


Het mooiste moment in dit creatieve proces is getuige te zijn van de omkering die - hoewel in het hoofd van de kunstenaar een enorm gevecht moet hebben veroorzaakt voor 'buitenstaanders' altijd onverwacht komt en het gewenste effect van verbazing oproept. Het is het moment waar de betrokkenen onbewust op zitten te wachten omdat ze al die tijd stilzwijgend, respectvol, geduldig en meestal onuitgesproken dachten waartoe dit zou leiden met een gevoel dat het midden houdt tussen verwachting, medelijden en hoop. Een gevoel dat veroorzaakt wordt door de kunstenaar te zien verdrinken in zijn eigen enthousiasme en steeds verder weg te zien raken van zijn eigen werk, in zijn zoektocht oplossingen te willen vinden die er niet kunnen zijn: het onmogelijke - alles te willen omvatten. Anderzijds kon het niemand zijn ontgaan dat zijn wijze van werken een groter plan verried.


Dan is ineens het moment van de omkering daar! De eigen taal is teruggevonden, nadat op het nederige en dienstige af alle stadia zijn doorlopen. De belofte van een relatief oneigentijdse ambitie in een wereld waar niets meer voor de eeuwigheid lijkt te worden gemaakt, laat staan bewaard, werd ingelost met niets minder dan een nieuwe eigentijdse interpretatie van de Laocoön-groep. Het is niet verwonderlijk dat Geelen zich bij de keuze voorvorm en inhoud door de klassieke beeldhouwkunst liet inspireren. Het verhaal van de Laocoön - de priester die de Trojanen tegen beter weten in waarschuwde voor de list van de Grieken, en met zijn zonen werd vermoord door de slangen van Medusa - en de verbeeldingen ervan in de loop van de tijd zouden het kunsthistorische tegenwicht bieden aan de ambitie van de gebruikers van dit gebouw als hoeders van erfgoed en bovendien aan die van hem zelf-iets groots te willen maken.


De Laocoön-groep werd een paar decennia voor Chr. gemaakt, door Hagesandros, Polydoros en Athanadoros van Rhodos. Het beeld is na een aantal omzwervingen als gevolg van oorlogsbuit, via Frankrijk (Napoleon toonde het in het Louvre) weer in het Vaticaan terecht gekomen. Met de keuze voor dit onderwerp begeef je je al snel midden in een web van kunsthistorische krachtmeting en interpretaties. Desalniettemin is het Geelen gelukt zijn eigen oorspronkelijke variant aan deze traditie van interpreteren en herinterpreteren toe te voegen, onmiskenbaar Geelen, onmiskenbaar Laocoön.


Stijlelementen terughalen uit het verleden en daar een eigen wending aangeven kenmerkt het werk van
Geelen al vanaf het moment dat hij vooral vana fde jaren '80 met keramiek naam maakte. Door de kunstgeschiedenis te herinterpreteren, maakt hij een nieuwe inhoud, waarbij de techniek als onmisbaar middel fungeert. Met het formele spel van vol en leeg, van de suggestie van volume, ofjuist het zichtbaar maken van loze ruimte, zet hij klassieke beeldhouw-kundige principes op zijn kop. Het intact houden van de gietkanalen tergt alle vanzelfsprekendheid maar heeft zich in zijn werk de laatste jaren ontwikkeld tot een typisch Geeliaans stijlkenmerk.

ECHT EN HEROÏSCH

De centrale werkruimte van de gieterij is gevuld met fel tl-licht. Metaal-gruis, stof, en heel veel lawaai van afzuigkappen, slijpmachines en radio maken verblijf zonder bescherming haast onmogelijk. In industriële rekken liggen onderdelen van bronzen armen, benen, onherkenbaar organisch objecten, alles is netjes geordend per soort. Mannen in overalls werken aan beelden die stuk voor stuk gemaakt lijken te worden voor eeuwigheid. Ze zijn half klaar, in verschillende stadia, van verschillende kunstenaars, in verschillende stijlen. De nieuwe Laocoön is te herkennen uit duizenden. Het bronzen onafgewerkte beeld van Geelen staat in het midden, bijna klaar om verguld te worden. Met een touw aan een kraan, alsof het beeld nog 'gezet' moet worden en de zwaartekracht zijn werk zal doen, als bij een arm die flink gebroken is, hangt het nog vast. Het beeld wordt omringd door mannen die al even kronkelend als de beeldengroep op aanwijzing van de kunstenaar de slang van bekertjes in de juiste positie proberen te brengen. De flexibiliteit van 'echte' wiebelende gestapelde plastic bekertjes ontbreekt eenmaal in brons gegoten. De drie figuren zijn - anders dan bij de relatief twee-dimensionale Griekse Laocoön groep -in een spiraal om elkaar heen verwerkt, waarbij de zoon op de grond gezeten de basis vormt. De vader is de kern waaromheen de andere twee figuren en de slang draaien; hij draagt de kleinzoon op zijn schouder die als enige uit kan kijken in de verte. Het realisme is bijna shockerend. Niet in aanstootgevende zin, maar juist door het letterlijk en figuurlijk blootgeven van alle details, inherent aan het in gipsen mallen vatten van modellen, word je als kijker op de feiten gedrukt: het leven is echt. Zelfs de afdruk van de huid is nog te zien. Niet voor niets koos Geelen een echte 'familie' als model, waarbij het niet gaat om de familiaire gelijkenissen maar om de 'echtheid' van de werking van het beeld. De pijn en moeite die van het beeld uitgaat- het meest zichtbaar in de tweede generatie, is een heel andere dan die van de mythische vertaling ervan. Volgens de 18deeeuwse kunsthistoricus J.j. Winkelman drukken de figuren van de Griekse Laocoön sereniteit en passie uit, in plaats van doodsangst om het naderende einde. Bij dit beeld wordt de generatie zelf uitgedrukt wars van heroïek en grote gevoelens. De gietkanalen bevestigen de eenheid op compositorische wijze maar ook de zwakte, in overdrachtelijke zin, alsof de hele generatie in de steigers staat, een structuur nodig heeft om te overleven die groter is dan zichzelf. Ook de gietnaden die bij ieder ander beeld weggewerkt worden, maar door Geelen juist worden gebruikt als onderdeel van het werk, benadrukken de kwetsbaarheid van het echte leven. De bekertjes en de vuilniszakken zijn meer dan een Calvinistische verwijzing naar verbruik en gebruik. Dit signaal in goud verwijst naar de archeologie van de toekomst. Wanneer je goed luistert hoor je boven het lawaai van de machines uit de muziek: we can be heroes van David Bowie. De tijdelijkheid die de tekst van dit lied impliceert staat aan de andere kant van het spectrum van wat hier wordt uitgedrukt, terwijl het tegelijkertijd de zeggingskracht van het beeld illustreert. Echt en heroïsch tegelijk te willen zijn, met een gouden groet.