Guido Geelen

teksten

‘Een goed kunstwerk tilt je op uit het leven van alle dag’

Peter Pluymen

project 5 beelden voor Malberg

Over het kunstwerk van Guido Geelen in Malberg en over hemzelf

Daar staan ze dan. Vijf kunstwerken in één rechte lijn vanaf de Bunderruwe, via Vendelplein, richting Zouwdal. Een zuilenrij in een van de groene longen van Malberg. Daar waar de natuur dringend is gevraagd om Maastricht binnen te kruipen en een groene wig te drijven tussen de bouwsels van steen, beton en asfalt.

Vijf beelden, ieder op een kolom van staal. Op even zoveel uitgekiende plekken die een eenheid vormen. Als je een waterpas zou hebben van ongeveer een kilometer lengte en je zou dit reuzeninstrument over de 5 zuilen leggen, dan staat ‘de libel’ precies tussen de twee streepjes in het glazen oog van het instrument.

De op de zuilen geplaatste figuren lijken heel sterk op elkaar. Ze hebben iets van een eeneiige vijfling. Het enige waarin ze verschillen is in dat wat ze verbeelden. De een leest de krant of kijkt naar de televisie; de ander aait de hond; nummer drie gooit het waswater weg na het poetsen van de auto of iets anders; er is een voetballer en de vijfde tilt zijn/haar kind liefdevol omhoog. Allemaal dagelijkse bezigheden.

Het geslacht is voor de gelegenheid weggelaten. Want de hoogtewezens staan model voor alle Malbergers, ongeacht de dikte van de beurs; op wie je wel of niet valt, het kleurtje van de huid of opleiding en afkomst. De tijd van ‘de zwarte en de roej daker’, de sociale prehistorie, toen Maastricht nog (zelfbenoemde) boven- en daarom ook ondermensen had, is immers definitief voorbij.

Daar staan ze dan eindelijk. Alstublieft.
U heeft er drie jaar op moeten wachten, maar dan heb je ook wat. Een cadeau voor de inwoners van Malberg, aangeboden door de Beheersmaatschappij Malberg BV en de gemeente Maastricht.
Nu de vijf beelden er staan en aan de wijk zijn overgedragen, is de tijd daar om u – inwoners van Malberg – te informeren over de bedoeling van het kunstwerk en over de man die ze gemaakt heeft. Eerst de kunstenaar.

‘Uit de klei getrokken’;
wie is Guido Geelen?

Guido Geelen is in 1961 geboren in Thorn als zoon van een hoefsmid. Het ‘witte stadje’ is onderdeel van een lint van dorpen en grotere plaatsen langs de Limburgse Maas. Ze hebben alle minstens één gemeenschappelijke historische overeenkomst: de kleiwinning en de kleiverwerkende industrie.

Duizenden en duizenden jaren heeft moeder Maas haar oevers getrakteerd op de vette bruine afzetting en meer dan 7.000 jaar geleden ontdekten de Limburgers van toen, dat je met die klei – als je haar bakte – gebruiksvoorwerpen kon maken. En dat is nooit meer opgehouden. Vanaf de cultuur van de Bandkeramiekers, met hun mooi versierde potten, via de Romeinen, die er hun dakpannen van maakten, naar de veldbrandovens in de 19e eeuw en de massaproductie van religieuze beelden in de befaamde kunstateliers van Sint Joris in Beesel. Daar waar, voor en na de Tweede Wereldoorlog, kunstenaars het beleg op hun brood verdienden. Ze ontwierpen er hele volksstammen van in de geestelijke adelstand verheven types. Af en toe – als de baas niet keek – lieten ze een blote madam uit hun handen komen. Die werd dan ’s avonds in het café verkocht vanwege de opgelopen drankrekening.

In die duizenden jaren lange traditie duikt in Thorn de jonge Guido Geelen op. Als kleine jongen ging hij met zijn vriendjes naar de plaatselijke dakpannenfabriek Van den Boel. De koters bedelden om klei, waarmee van alles werd geproduceerd. Als de muts van de voorman goed stond, mochten de maaksels met de pannen mee de oven in. Zo is het met Guido begonnen. Een makertje dat de ambachtelijkheid via papa’s genen heeft meegekregen.

Na zijn middelbare school koos Guido Geelen niet meteen voor het kunstenaarschap. Hij ging eerst naar de lerarenopleiding. Je moet wel je brood kunnen verdienen en dat is in de wereld van de kunst niet altijd gegarandeerd. En een degelijke scholing in de kunstgeschiedenis en weet hebben van de tradities, waartoe een kunstenaar zich te verhouden heeft, stonden hem ook wel aan. Maar na het behalen van zijn leraardiploma heeft hij nooit voor de klas gestaan. Hij begon meteen te werken als kunstenaar. Hij maakte beelden en tentoonstellingen en zijn werk werd meteen verkocht.

Trouw aan zijn roots waren het ‘beelden’ in klei. Maar vanaf het begin week hij af van wat keramisten doorgaans voortbrengen. Geen traditionele vazen, schalen of gedenkborden. Niks geen beeldjes van de veestapel van huisdieren, die het mensdom voor zijn voeding, plezier of ter verdrijving van de eenzaamheid pleegt te houden. U kent deze producten wel. Ze zijn te koop in de souvenirwinkel, het pottenbakkersatelier, de betere servieszaak en – na afdanking – op de rommelmarkten van Koninginnedag, Luik en Tongeren.

Al hoewel… Guido Geelen maakt wel vazen, maar dan zijn het ‘vaasbeelden’. Een poef, een stofzuiger en een paar vissen of – in het andere geval – een computer en een telefoon worden samen tot een compositie van klei verwerkt en vervolgens doorboord. Het beeld wordt afgebakken, waardoor het zijn mooie terracotta kleur krijgt. Dan worden de gaten van glazen buizen voorzien, waarin de gebruiker de bloemen van zijn of haar keuze, met de juiste hoeveelheid water, voor enige tijd in huis kan opstellen.

Voor een van zijn eerste beelden maakte hij gipsmallen van alledaagse voorwerpen zoals een tv, een teddybeer, een gitaar, een hond en andere dieren, een fruitschaal, een keyboard en meer van dat moois. Toen de klei-afdrukken van de gipsmallen nog nat waren, perste hij ze allemaal in een rechthoekige bekisting. Daarna ging het geheel de oven in. Het resultaat was ‘een muur’ van ongeveer 2 bij 2 meter, die overkomt als een van onder tot boven volgepropte etalage van een tweede handswinkel. Maar dan wel helemaal in het mooie keramische rood, dat u kent van de aardewerk bloempot.

Waarom maakt hij deze beelden?
Guido Geelen wilde vanaf het begin verder gaan dan daar, waar het kleiverwerkende domein van de toegepaste kunst ophoudt. Niet het ‘plat’ weergeven van de werkelijkheid, maar er iets aan toevoegen.
‘Verhalen vertellen’ die er toe doen. Niet het genre dat erin gaat als koek of als een kruik jenever en Gods woord in een ouderling. Daarvoor hoef je immers alleen maar te slikken en niet te kauwen.
Thema’s aan de orde stellen die voor de mens erin kunnen hakken. Zoals leven en dood; liefde en verlies; geluk, verdriet en rouw; schoonheid en lelijkheid; trouw en dienstbaarheid versus onverschilligheid en arrogantie; je thuis voelen en gemeenschapszin naast ontheemding en vervreemding; diepgang en ernst tegenover oppervlakkigheid.

Het gaat over onderwerpen en gebeurtenissen, die ieder mens – vroeg of laat – in zijn of haar leven tegenkomt. In zekere zin zijn ze dus ‘alledaags’. Maar ze zijn zó belangrijk, dat ze niet alleen het onderwerp horen te zijn van meezingers, soaps en tranentrekkers. Ze moeten indringender worden aangeboden. Dat is de specialiteit van de kunstenaar. En dat kan op verschillende manieren: brutaal en tegendraads of speels en oogstrelend.
Hoe dan ook, Guido Geelen wil met zijn beelden de toeschouwers, voor een keer of meer, gelukzalige, confronterende of ontroerende momenten bezorgen. Hij wil ze even van de grond tillen en op hoogte laten zwijmelen. Even weg van en uit ‘het gewone’ leven. Even jezelf tegenkomen en proeven aan de bijzonderheid. Daarna mag je weer verder (en liefst graag nog een keertje terugkomen).

Het keramische werk van Guido Geelen werd en wordt zeer gewaardeerd. Het heeft zijn plek gevonden in de collecties van verzamelaars en die van de belangrijkste Nederlandse musea. In 1988 en 1990 ontving hij de Prijs van het Amsterdamse Fonds voor de Beeldende Kunst en in 1989 de Charlotte Köhlerprijs. Die wordt toegekend aan jong en veelbelovend talent. Voor zijn vernieuwend werk kreeg hij in 2005 de Nederlandse Keramiekprijs, nadat hij in 2000 al de dr. A.H. Heinekenprijs had ontvangen.

Guido Geelen heeft het niet bij keramiek gelaten. Daar is hij te nieuwsgierig en te onderzoekend voor. Guido werkt ook in brons en aluminium. Hij heeft veel en mooie opdrachten op zijn naam staan. Zeer bekend zijn onder andere zijn kunstwerk voor het Marietje Kessels-project (voor een veilige samenleving voor kinderen) en een monument tegen zinloos geweld. Beiden in Tilburg. Het is niet vreemd dat Guido Geelen deze opdrachten kreeg. Zijn betrokkenheid bij het wel en wee van mensen is groot. Dat heeft de Malbergse werkgroep – die in 2008 een kunstenaar moest kiezen – zeker ook gezien en aangesproken.
We zijn terug in Maastricht anno 2010, bij het kunstwerk van Guido Geelen in Malberg.

‘Het worden beelden die heel dicht bij de bewoners staan’

De ‘vijf zuilen van Geelen’, die in Malberg worden geplaatst, verschillen van het oorspronkelijke ontwerp. De kunstenaar wilde de dragers van de beelden eerst in beton laten uitvoeren. Met cement uit de ENCI-groeve. De zuilen moesten uitzien als boorkernen, dus met verschillende lagen erin. Alsof ze uit de Maastrichtse ondergrond waren gehaald en vervolgens bovengronds rechtop gezet. Als een ‘afdruk’ van miljoenen jaren plaatselijke historie.

Guido Geelen wilde daarmee verwijzen naar het kleurrijke en bijzondere wordingsverhaal van Maastricht en de bewoners die daarin figureerden. Naar de Krijtzee tussen de 145 en 66 miljoen jaar geleden. De wieg en het graf van mosasaurus Bèr en de ontelbare kleine friemeldieren, die tezamen de mergel hebben gemaakt, waarmee we bouwen en waarin we wonen.
Naar het feit dat de eerste Nederlanders zo’n 250.000 jaar geleden Maastrichtenaren waren (Nou ja, Maastrichtenaren… ze kwamen langs en toen de konijnen op waren gingen ze weer)

Naar alles en iedereen, die hier verder nog passeerden. Vluchtelingen en veroveraars. Naar al die keren, dat de stad (en de regio) van eigenaar en nationaliteit wisselde. Vaak nadat ze was geplunderd en de man en de vrouw van de straat, met hun inboedel, leven en eer, weer eens de rekening hadden betaald. En een deel van hen, die met onfrisse en hebberige ideeën voor de poorten verschenen, bleef hier plakken. Het voegde (tot dan toe) vreemde voor- en achternamen toe aan het gemeentelijke bevolkingsregister.
Hij wilde verwijzen naar het gegeven dat in Malberg de grond lag, waarop een van de Maastrichtse galgen stond. De tijd vóór de reclassering en de mensenrechten. Toen criminelen en andersdenkenden werden uitgeleverd aan een stuk adembenemend hard touw en daarna aan de kraaien.

En natuurlijk wilde hij duiden op de schoonheid en de aantrekkelijkheid van de stad. Als resultaat van eeuwenlange toelevering door moeder Natuur, bouwmeesters en kunstenaars, geleerden en ambachtslieden, gezagsdragers én ‘de gewoen lui’ met hun typische volkscultuur.

En dat alles overgoten met een saus van relativerende mildheid. Maastrichtenaren waren en zijn weliswaar bijna fanatiek trots op hun nest (‘dao mooste met dien puuj vanaof blieve’) maar we gaan hier nu eenmaal niet tot het gaatje. Kritiek op de hoogste bazen bewaren we het liefst tot ‘de vasteloavend’. Dan komt zij niet zo hard aan en valt er tenminste nog wat te lachen.
En als de ‘Mestreechter Geis’, voor de zoveelste keer, letterlijk of figuurlijk omver wordt gereden, dan zetten we hem gewoon weer op zijn sokkel, drinken ‘e lekker kaajt pèlske’ en gaan fluitend over tot de orde van de dag. Alsof er niets gebeurd is, want het komt hier allemaal niet zo nauw.

Al deze facetten van de Maastrichtse Werdegang wilde Guido Geelen een denkbeeldige plek geven in de kolommen van zijn Malbergse beelden. Want we worden gedragen door onze onder- en achtergrond. We zijn en leven (in) de opbrengst van mooie ontwikkelingen, geniale vondsten, toevalligheden en boevenstreken en laten we dat vooral niet vergeten als we denken en oordelen.

De betonnen pilaren bleken echter niet uitvoerbaar. Daarvoor in de plaats kwamen zuilen van staal. Het nieuwe geheel, dat daardoor ontstaat, raakt een andere betekenis van de kunstwerken. De nieuwe dragers lijken op heipalen, die niet helemaal in de grond zijn geslagen. De draagkracht van deze eeuwenoude bouwkundige helpers staat niet ter discussie. Ze torsen hele dorpen en steden en helpen daardoor de gemeenschap overeind te houden.

En dan de bekroning. Vijf Malbergers ‘in goud gegoten’. Ze zijn ‘betrapt’ in hun dagelijkse bezigheden. In het onderhoud van hun bezittingen, in hun vrijetijdsbesteding, de zorg voor hun huisdieren, hun contact met de buitenwereld en de liefde voor de jonge generatie. Is dat allemaal nou zo bijzonder?
Jawel, als je het maar wilt zien. Als je er maar oog voor hebt.

We leven in een tijd van de mooiste, de beste, de handigste en de slimste. We hypen op opgefokte superindividuen. Met een avondje zappen rol je van de ene talentenjacht in de andere. De Amsterdamse PC Hooftstraat, waar met geld wordt gesmeten, is hot. Dat lijkt niet te gelden voor de Dorpsstraat in Ons Dorp of Het Tuinpad van mijn Vader. De gewone Nederlander schijnt alleen nog interessant te zijn voor De Rijdende Rechter. Daar waar de kleinzieligheid en de afgunst worden uitvergroot en als sensatie worden leeggezogen.

Guido Geelen heeft iets met de doorsnee man en vrouw en hun dagelijkse besognes. In 2005 ontwierp hij een MUPI, een verlichte reclamezuil, voor de Kruikezeiker. De modale Tilburger, het broertje van de Maastrichtse Sjeng.
In hetzelfde jaar maakte hij het werk ‘Bouwmeesters voor Heijmans’. In de kantoorhal van het bedrijf plaatste hij twee levensgrote in brons gegoten bouwvakkersfiguren. Alles, dat naar binnen wil, moet erlangs. Bobo’s, big shots, witte boorden en iedereen, die denkt dat hij maar iets voorstelt, komt ze tegen. En ze kunnen er niet om heen dat zij – de werklui – buiten, in weer en wind, zich het schompes staan te werken om het bedrijf overeind houden.

En nu in Malberg heeft hij de gewone man en vrouw op een voetstuk gezet. Een eerbetoon aan het waardevolle en het weerbarstige van de eenvoud.
Voor de goede orde: we hebben het hier niet over simpelheid, domheid of geestelijke armoede. Het gaat over eenvoud als essentie en kwaliteit. Dat wat resteert, als alles van alle franje is ontdaan. De overblijvende naaktheid waarin, voorzichtig en op de tast, de weg naar een gebruiksaanwijzing voor het leven kan worden gevonden.

Op 5 oktober 1713 werd in het Franse Langres, aan de bronnen van onze Maas, de schrijver, filosoof en kunstcriticus Denis Diderot geboren. Hij was de zoon van een ambachtsman, een messenmaker. Pa Diderot ontwierp chirurgische instrumenten. Zoon Denis fileerde met precisie – alsof hij de scalpels van zijn ouwe heer gebruikte – de samenleving van zijn tijd. Hij pleitte voor religieuze tolerantie, voor vrijheid van gedachte en voor een democratische geest. En dat werd hem door de elite van toen niet in dank afgenomen.
In een van zijn geschriften noteerde hij het volgende:

‘Niet alles wat waar is, is eenvoudig.
Toch is alles, wat eenvoudig is, waar –
maar op een bijzondere manier.’

De kunstenaar Guido Geelen, zoon van een hoefsmid uit het maasdorp Thorn, zegt het hem na in Malberg. Op zijn manier.